Brein/Ziggo

Stefan Kulk - Published in: AMI 2016/2, p. 52

Noot bij Vzr. Rb Midden-Nederland 16 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8974 (Stichting Brein/Ziggo B.V.)

Dit vonnis in kort geding betreft de verstrekking van de naam, het adres en de woonplaats (NAW-gegevens) van een klant van internetaanbieder Ziggo aan Stichting Brein. Deze klant had de webapplicatie 'Spotweb' geïnstalleerd op zijn computer.1 Spotweb stelt gebruikers in staat om films, muziek, software en ander materiaal te downloaden van Usenet nieuwsgroepen via het 'Spotnet'. Ook derden hadden toegang tot de webapplicatie die door de Ziggo-klant op zijn computer werd gehost. Nadat Stichting Brein Ziggo had gesommeerd de webapplicatie offline te laten halen en de NAW-gegevens van de klant te verstrekken, heeft de klant de applicatie zelf ontoegankelijk gemaakt. Om de klant aan te spreken en te voorkomen dat de webapplicatie opnieuw wordt opengesteld, eist Brein van Ziggo de verstrekking van NAW-gegevens van deze klant.

Uit het Lycos/Pessers-arrest volgt dat het niet-verstrekken van NAW-gegevens aan een benadeelde partij onder bepaalde omstandigheden onrechtmatig moet worden geacht.2 Hoewel het in Lycos/Pessers ging om een hostingaanbieder (opslag van informatie), onderstreept de rechtbank dat het afwegingskader in Lycos/Pessers ook op een internetaanbieder toepasselijk is.3 Het argument dat uit onder meer het aansprakelijkheidsregime in 6:196c BW volgt dat de norm in Lycos/Pessers niet zou gelden voor internetaanbieders wijst de rechtbank van de hand. Als het gaat om aansprakelijkheid voor schadevergoeding dan worden internetaanbieder en hostingaanbieders inderdaad anders behandeld, maar ten aanzien van verboden of bevelen geeft 6:196c BW geen voorschriften (zie m.n. lid 5).

Dat betekent niet dat de internetaanbieder en de hostingaanbieder eenzelfde zorgplicht hebben daar waar het gaat om gegevensverstrekking. Lycos/Pessers maakt de onrechtmatigheid afhankelijk van de omstandigheid dat het 'aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen.' Daarin ligt een regel van subsidiariteit besloten die inhoudt dat de identificerende gegevens daar moeten worden verstrekt waar dat het minst ingrijpend is.4 In algemene zin ligt het voor de hand om eerst de hostingaanbieder aan te spreken omdat die de onrechtmatige informatie voor zijn klant opslaat en niet, zoals de internetaanbieder, slechts doorgeeft. Echter, in het onderhavige geval was er geen hostingaanbieder in het spel -- de applicatie werd namelijk door de Ziggo-klant op zijn computer gehost. Het lag daarom in de rede om in dit geval de internetaanbieder aan te spreken.

Het argument van Ziggo dat de voor verstrekking noodzakelijke specifieke wettelijke basis ontbreekt, gaat volgens de rechtbank ook niet op.5 De rechtbank acht de gevolgen van toepassing van artikel 6:162 BW en de uitleg daarvan in Lycos/Pessers voldoende voorzienbaar. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij de uitleg die wordt gegeven aan het wetsbegrip in het EVRM. Op die redenering valt wellicht nog wel wat af te dingen. Zo heeft Dommering betoogd dat Lycos/Pessers lijkt te zijn ingehaald door de uitspraken van het HvJ EU in de zaken Promusicae en Scarlet/Sabam waarin het Hof een afweging van de in het geding zijnde informatiegrondrechten voorschrijft.6 Kingma heeft beargumenteerd dat doorbreking van het doelbindingsvereiste, zoals dat is neergelegd in de Wet bescherming persoonsgegevens, een nauwkeurigere regeling omtrent de verstrekking van NAW-gegevens vereist.7 Echter, ten aanzien van gegevensverstrekking is de lijn van het HvJ EU, en daarmee ook van de rechtbank, dat een belangenafweging op basis van de omstandigheden van het geval voldoende is.8

De rechtbank past Lycos/Pessers in de onderhavige zaak dus gewoon toe. Daarbij komt de rechtbank alleen toe aan de vermeende onrechtmatigheid van het handelen van de Ziggo-klant. De hierboven afgedrukte overwegingen van de rechtbank zijn overigens redelijk technisch van aard. Een van de omstandigheden die in het voordeel spreekt van de klant, en daarmee ook Ziggo, heeft betrekking op de toegang van derden en het voordeel dat zij zouden hebben gehad van de Spotweb applicatie. De rechtbank: 'vaststaat immers dat iedere internetgebruiker die app kan downloaden van internet en op zijn eigen server kan installeren, dan wel op zijn computer een Spotnet Client kan installeren, en dan dezelfde functionaliteit verkrijgt als met de Spotweb app van de klant van Ziggo.'9 Interessant in dit verband is dat de ontwikkelaars van de Spotweb applicatie zelf schrijven dat: 'Installation is the toughest part of Spotweb.'10 En dat de webapplicatie als uniek kenmerk heeft dat het gebruik door meerdere gebruikers ondersteunt. Dit in tegenstelling tot andere Spotnet clients. Deze omstandigheid had dus evenzeer in het nadeel van Ziggo kunnen uitpakken.

Uit de overwegingen van de rechtbank lijkt te volgen dat het mogelijk is dat de Ziggo-klant zijn Spotweb applicatie min of meer per ongeluk had opengesteld aan de buitenwereld. Bovendien was niet gebleken dat de klant reclame maakte voor zijn webapplicatie, noch dat hij voordeel haalde uit gebruik door derden. Volgens de rechtbank zijn er onvoldoende aanwijzingen die erop duiden dat de Ziggo-klant structureel en doelbewust inbreuken door anderen faciliteerde en stimuleerde. Het niet-verstrekken van gegevens over deze klant levert dus ook geen onrechtmatig handelen door Ziggo op.


  1. Een webapplicatie is een programma dat op een webserver draait. Het programma is te benaderen via de webbrowser. Een bekend voorbeeld van een webapplicatie is Google's email programma Gmail waarmee gebruikers vanuit hun browsers kunnen emailen. 

  2. HR 25 november 2005, ECLI:HR:2005:AU4019. 

  3. Zie voor eerdere toepassing van de Lycos/Pessers-norm op een internetaanbieder: Vzr. Rb. 's-Gravenhage 5 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ5678, AMI 2007 nr. 9, m.nt. O.L. van Daalen 

  4. Zie bijvoorbeeld met betrekking tot gegevensverstrekking door een bank: Rb. Amsterdam 14-05-2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0350, IER 2013 nr. 62, m.nt. S. Kulk. 

  5. Ter onderbouwing van die stelling verwees Ziggo naar artikel 15 van de e-Privacy Richtlijn. 

  6. E.J. Dommering, 'De zaak Scarlet/Sabam. Naar een horizontale integratie van het auteursrecht', AMI 2012-2, p. 49-53. 

  7. S.H. Kingma, 'De botsing tussen IE- en privacyrechten. Het einde van het Lycos/Pessers-tijdperk', P&I 2012-4, p. 170-176. Zie ook J.J.C. Kabel in zijn noot bij Vzr. Rechtbank Den Haag 5 oktober 2015 en Vzr. Rechtbank Den Haag 6 november 2015, ECLI:RBDHA:2015:11408 en ECLI:NL:RBDHA:2015:12706, AMI 2015 nr. 11. 

  8. HvJ EU 19 april 2012, C-461/10 (Bonnier). 

  9. Ovw. 4.14. 

  10. https://github.com/spotweb/spotweb.